In de woonbuurt waar ik woon was vroeger op vrijwel elke hoek een middenstander gevestigd. Slagers, bakkers, potten- en pannenverkopers, soms ook een wasserette, werkplaatsje of een onduidelijke boodschappendienst. 
Met de opleving van de huizenmarkt, de ‘gentrification’ van de buurt, het vertrek van de laatste oudere en minder draagkrachtige bewoners en de komst van supermarkten in de nabije omgeving, verdwenen de kleine neringdoenden.
Hun hoekpandjes verkommerden of werden overgenomen door particuliere bewoners. Aanvankelijk trokken die in de voormalige bedrijfsruimten zonder ze ingrijpend te veranderen. Er kwamen vitrages voor de grote ramen die de ingebouwde tussenverdiepingen aan het oog onttrokken. Jammer dat de slager weg moest, maar goed dat er mensen wonen, was dan de conclusie.
Inmiddels zit in een groot deel van deze markante hoekhuizen een makelaarskantoor. Ook in vroegere benedenwoningen in de rijtjes duiken ze op, met hun nette letters op de ruiten en de plakkaatjes met het aanbod: Fotozaak Capi Lux verdreven door een MVM-makelaar.
Afgezien van de halogeenspotjes boven de beeldschermen binnen, zijn het dode plekken, waar buurtbewoners niets te zoeken hebben, waar geen winkelbel kleppert of moeder met kinderwagen zich door de deur wurmt met aan de arm een kleuter die binnen een plakje worst en een knipoog krijgt.
In de hoofdstraat zijn nog wel alle winkels te vinden die een mens zich wensen kan, Keurslager naast Volendamse visboer tegenover bakker naast tabaks-kiosk.
Maar voor hoelang nog?
In Oud-Zuid, op allerlei manieren ons voorland en al jaren als prettige winkelbuurt verloren voor onmodieuze burgers, klagen nu ook de rijkere en bekendere Nederlanders dat er geen gewone winkel meer te vinden is en alles mode en dure meubels is geworden.
Als het stadsdeel Oud-West er niets aan doet, is het over een paar jaar op de Eerste Constantijn Huygensstraat en de Overtoom van hetzelfde laken een pak.