November, 2006

Houten

November 29th, 2006 CFHMK

Deze jongeman hout. Dat is een werkwoord, een ouderwets werkwoord voor een ouderwets ambacht. Nog niet met uitsterven bedreigd, want deze ambachtsman is nog jong. Hij hout een stukje van de gevel van mijn fietsenstalling. Hij gebruikt daar rubberen kammen en zachte kwasten voor. Hij heeft er plezier in en vertelt dat deze gevel door een concullega in een soort fantasiehoutsoort is gedaan. Zelf kan hij marmer namaken en allerlei patines. Dat zijn afwerkingen, zoals bij nieuwe meubles die eruit moeten zien alsof ze al jaren in de boenwas staan. Muren met bladkoper (goedkoper dan bladgoud) zijn op het ogenblik erg in. Hij ziet er niet uit alsof hij te weinig werk heeft. Gelukkig maar.

De houter aan het werk

Een stukje nieuw werk, dat er al heel echt uitziet, maar nog afgemaakt moet worden

img_4007.JPG

 

 

Smartiepieten

November 29th, 2006 CFHMK

afbeelding-42.png

In het Sinterklaasjournaal zijn Pieten van verschillende kleuren gesignaleerd. Het schijnt dat de boot van Sinterklaas door een regenboog is gevaren.
Iedereen mag geloven wat hij wil, maar sommige verhalen horen te worden doorverteld, niet politiek correct gecensureerd.
Sinterklaas is zo’n verhaal. Sint Niicolaas was een witte heilige, die geholpen werd door een zwarte slaaf of dienaar. Dat we nu geen heiligen meer hebben met lange witte baarden en dat er nu geen slaven meer worden gehouden, maakt het verhaal niet minder waar, of beter waardevol. Het ontnemen van zijn echte eigen zwarte kleur aan Zwarte Piet, op grond van een angst te discrimineren, staat gelijk aan het ontkennen van de discriminatie die ooit heeft plaatsgehad, op grond van een geloof of achterlijk mensbeeld.
Bovendien is het het vernietigen van erfgoed. En daar moesten we toch zo trots op zijn?

 

 

Idealisme is eigenbelang

November 29th, 2006 CFHMK

Door Lies Ros uitgesproken bij de feestelijke bijeenkomst in het Museum voor Communicatie ter gelegenheid van het overdragen van een deel van het Wild-Plakken-archief aan het NAGO, donderdag 16 november 2006

Het aardige van mijn verhaal is dat het vijfentwintig jaar geleden geldig was, nu geldig is, en over vijfentwintig jaar misschien nog steeds.

Aan het begin van alles staat natuurlijk de wereld die veranderd moet worden !
Dat kon in de jaren zeventig met affiches !
Daarom werd ik grafisch ontwerper !
Later blijkt dat de wereld op allerlei manieren verandert, behalve op de manier die jij wilt….
Je verliest je grip op de wereld, als het ware, je verliest je onschuld, je naïviteit…..

Toch hebben ontwerpers macht.
Tegenwoordig in ieder geval over de virtuele wereld. Of over, zoals een ultralinkse Londense burgemeester het ooit zo mooi zei, ruim vóór het virtuele tijdperk, ‘the hearts and minds of people’.
Wij zijn iconenmakers. Beeldmanipulatoren. Nieuwsgierige onderzoekers.
Dwarsliggers die niet zomaar willen geloven dat iets wat bestaat niet ook op een andere, misschien zelfs betere manier zou kunnen bestaan.

Je talent en je opleiding geven je de mogelijkheid om consequenties te trekken uit het verantwoordelijkheidsgevoel dat je koestert.
Wáár je je verantwoordelijk voor voelt maak je zelf uit.

In feite is de sterkste drijfveer voor je handelen eigenbelang: gelukkig willen zijn!

Drie dingen vallen me daarbij op:

1. Vrij naar de Russische anarchist Bakoenin: Ik kan niet rustig leven als ik steeds word lastiggevallen door het ongeluk van anderen; daar moet je dus iets aan proberen te doen. Desnoods met affiches.

2. Ik ben het gelukkigst als ik mijn eigen gang kan gaan, kan experimenteren met mijn talenten, hoe groot of klein ook; ik heb dus een zekere mate van vrijheid, van (creatieve) ruimte nodig, die sommige opdrachtgevers je verschaffen en andere niet. Je maakt dus een zorgvuldige keuze mbt. je opdrachtgevers. De beste lieten je affiches maken.

3. Ik wil graag de vrijheid hebben voor mijn mening uit te komen, al is die soms gefluisterd.
Mijn werk is daartoe een excellent middel. Dat impliceert dat je anderen, die ook een eigen mening hebben, misschien zelfs een met de jouwe vergelijkbare, maar die niet dezelfde middelen hebben als jij om hem kenbaar te maken, een visuele stem kan geven. Desnoods met affiches.

Het is in alle drie de gevallen eigenbelang waar anderen ook iets aan zouden kunnen hebben; de ongelukkigen van één als ze iets gelukkiger worden, de opdrachtgevers van twee omdat ze betere ontwerpen krijgen, de gelijkgestemden van drie omdat hun stem gehoord wordt.
Daarom heet eigenbelang soms idealisme. Daarom kan je idealisme ook over een langere periode volhouden. Het is niet tijdgebonden. Het blijft modern.

 

 

Kerkmuziek

November 29th, 2006 CFHMK

Dochter Yinka viel in voor haar hobo-docente Noor Wolfensberger bij twee uitvoeringen van een Mendelsohn-symfonie in de basiliek van IJsselstein op 19 november 2006. Ik natuurlijk apetrots. Het was heel mooi. Na de pauze een Mozart-requiem, waarin Yinka niet speelde. Toch heel mooi.
Noor speelde zelf de week erop in de Bavo-kerk van Heemstede in de Hohe Messe van Bach. Daar waren Yinka, Benjo, de man van Noor en ik. Wie schetst onze verbazing als we daar nicht/oudtante Suzanne Wieberdink in het koor zien (en horen!). Na afloop een heel gezellige nazit bij Roel en Suzanne thuis. Een erg leuk extraatje bij een wonderschone uitvoering van een meesterwerk.

Yinka in grote basiliek van IJsselstein
Yinka bereidt zich voor op Mendelssohn
Yinka temidden van haar collega's van het Heemsteeds Philharmonisch Orkest
Kerkbank in Heemstede met twee verschillende (sic) letters
Het Bach Ensemble
Suzanne op de voorste rij links in het koor
Bach Ensemble met versterking
Nogmaals Bach Ensemble met Suzanne erachter
Suzanne deelt bloemen uit aan de solisten
Er wordt heftig geapplaudiseerd, de dirigent komt zo weer op
Noor ruimt op. Trots, en terecht

 

 

Wijn en werk

November 28th, 2006 CFHMK

Het is goed gebruik symposia over vormgeving af te sluiten met gratis borrel en -hapjes. Dat geeft een feestelijk tintje aan het geheel en wordt door de gasten zeer op prijs gesteld. Het praat goed na met een glas of twee, drie. Het is ook goed gebruik de vergoedingen voor het spreken op symposia laag te houden (die voor het schrijven van artikelen ook trouwens). Daar gaat voor de sprekers altijd veel meer tijd inzitten dan eigenlijk verantwoord is. De tekst, de powerpoint, de lunch vooraf en de borrel na (gratis, dat wel!), samen gauw goed voor een weekje werk.
Mag ik een verband suggereren tussen die twee gebruiken? Zou het misschien een idee zijn om de performers te betalen zoals we toneelspelers en muzikanten doen en het publiek zijn consumpties zelf af te laten rekenen, zoals bij voorstellingen en concerten?
Okee, één gratis glas champagne, dan, bij wijze van gebaar.
Of ben ik nu te Hollands calvinistisch, zuur zuinig?
Als het nu gesponsord wordt door de lokale horeca?
Is elk vormgevingssymposium een feestje? Mag het ook hard tegen hard gaan? Gaat dat met een roggebroodje zalm in de ene hand, een glas Chardonnay in de andere en een sigaret in de mondhoek?

 

 

Met macjes bestormen van de Bastille

November 28th, 2006 CFHMK

In Max Bruinsma’s slagschip terug naar Amsterdam (van een bijeenkomst waarover later meer) spraken Gabriëlle Götz, Mark Schalken, Annelys de Vet en Max en ik over de vraag hoe we we het belang van grafische vormgeving voor een breder publiek aannemelijk kunnen maken; hoe we we de algemene media zouden kunnen verleiden er aandacht aan te besteden. Mijn vraag was ook: Hoe komen we af van de underdog-houding van de grafisch ontwerpers en hun vazallen (waartoe ik mezef ook reken) die zeggen: Er is geen aandacht voor, het leeft niet, het is te ingewikkeld, het belang wordt niet erkend, het gaat de mensen alleen om de inhoud.
Mijn stelling is altijd geweest: als een ontwerp niet werkt, is het de schuld van de ontwerper, niet die van de gebruiker. Mutatis mutandis zeg ik: Als een strategie voor aandacht voor vormgeving niet werkt, deugt de strategie niet.
Het gaat natuurlijk in de eerste plaats om het stellen van reële, haalbare doelen, niet om het met macjes willen bestormen van de Bastille. Uit die doelen volgt een aanpak die bij die doelen past, inhoudelijk en strategisch. Ik heb doelen noch strategie panklaar paraat, maar zou er heel wat voor over hebben om die te kunnen formuleren. Misschien kunnen jullie mij, en elkaar, daarbij helpen.
Laten we de campagnes van de Erasmusprijs en de Prins Claus prijs aangrijpen om te onderzoeken hoe de serieuze aandacht voor grafische vormgeving kan worden vergroot. Om te beginnen zouden we dan moeten weten hoe er, door welk medium, aandacht besteed is aan de prijs, aan Bernard, aan grafische vormgeving.
Reageer op dit stukje door te laten weten wat je in de media tegenkomt, zoals het NOS-journaal op donderdag 24 november, overdag en ’s avonds om acht uur, in de Trouw van dezelfde dag dit stuk over Hans van Manen.

Of reageer met iets anders dat ons hierin verder helpt.

 

 

Het kiezen van een stembureau

November 22nd, 2006 CFHMK

straat.JPG

Vandaag mocht ik kiezen. Twee keer zelfs. Ik mocht niet alleen mijn volksvertegenwoordiger kiezen, ook het stembureau waar ik wilde kiezen, moest ik kiezen. Ik vond dat moeilijk. In de krochten van het ondernemerscentrum op het WG-terrein, waren twee stembureaus gevestigd. Ik koos het verder gelegen bureau, want ik dacht dat de meeste mensen wel gemakshalve het eerste zouden kiezen.
De vrijwilligen achter de tafel beaamden dat; er werd vriendelijk geglimlacht. Er heerste trouwens in het algemeen rond het stemburau een gemoedelijke sfeer. Iets van: “mooi hè, dat we allemaal mogen stemmen.”

goed bedoelde maar helaas tamelijk ranzige handwijzer

houtstatief.JPG

nietroken.JPG

schoonmaaktrolley.JPG
Omdat de stembureaus moeilijk te vinden waren –de ingang lag aan de achterkant van het gebouw– prijkten overal handwijzers. Hierbij een paar kiekjes. De bordjes pasten goed bij de lokatie van de stembureaus zelf: de noodzakelijke voorzieningen waren er, maar alles maakte een wat knullige, amateuristische indruk. Zoals een papieren handwijzer die met veel grijs ‘duct tape’ aan een telefooncel is geplakt. Of een wapperend blaadje dat mij probeert van het roken bij die lantaarnpaal af te houden.

Het exemplaar op de schoonmaakkar deed me denken dat we in een bezemkast mochten stemmen. Maar zo is het natuurlijk niet bedoeld. En het zou misschien ook een beetje raar zijn als we luxueuze stemlokalen zouden in gaan richten om mensen te verleiden toch maar te gaan stemmen. Toch?

 

 

Wat kunnen we van Pierre Bernard leren?

November 20th, 2006 CFHMK

Wat kunnen we van Pierre Bernard leren?
De kleuring van onze samenleving plaatst de grafisch vormgever voor een nieuwe verantwoordelijkheid (die eigenlijk al heel oud is).
Synopsis van voordracht in studentensymposium met Pierre Bernard, 27 nov 2006
Carel Kuitenbrouwer

Que pouvons nous apprendre de Pierre Bernard ?
La coloration de notre société confère au graphiste une nouvelle responsabilité (en fait fort ancienne).
Synopsis de la conférence au cours du symposium avec Pierre Bernard, le 27 novembre 2006.
Carel Kuitenbrouwer

Introduction :

Cher Pierre

Avant de me pencher sur le problème du graphisme engagé dans « notre époque » – une époque qui peut-être n’est pas exactement « notre époque » comme tu me le confiais il y a peu, mais qui est peut-être quand même « votre époque », à en juger par l’ampleur de l’attention que l’on porte ici et maintenant à ton travail – c’est à toi tout spécialement que je veux adresser ces quelques mots.

Je te félicite donc de tout cœur pour ce prix Erasmianum que tu mérites absolument, et je suis honoré de pouvoir m’adresser à toi à cette occasion.

Il est aussi légitime que réjouissant que le graphisme destiné au domaine publique reçoive ici aujourd’hui un intérêt aussi affirmé. Mais je trouve aussi cela un peu bizarre que nous, Néerlandais, dans ce pays un jour considéré comme précurseur en matière de graphisme moderne, décernions en l’espace de quelques semaines deux prix importants à deux étrangers pour leur travail dans ce domaine : le designer Iranien Reza Abedini qui recevra en décembre le Prix du Prince Claus, et toi.

Selon moi, cela relève d’une sorte de nostalgie, d’un désir d’engagement. Ça veux dire plus de désir que d’engagement même.

Il semble qu’à l’heure actuelle, nous pensions ne pas pouvoir satisfaire nous même ce désir. C’est pourquoi nous cherchons des idoles, des héros.

S’il est fort louable de décerner des prix importants à des idoles, il est encore plus louable de mettre leur exemple en pratique.

Je vais tenter d’indiquer quelques possibilités comment cela serait possible.

En néerlandais, pardonne-moi, puisqu’une traduction est assurée.

Vooraf

Beste Pierre,
ik richt enkele woorden speciaal aan jou, voordat ik mij buig over het probleem van het geëngageerd ontwerpen in ‘notre epoque’ – une epoque qui peut etre n’est pas exactement ‘notre epoque’ zoals je me niet lang geleden eens toevertrouwde, maar die misschien toch ‘votre epoque’ is, oordelend naar de hoeveelheid aandacht die er op dit moment hier voor uw werk is.
Ik feliciteer je dan ook van harte met de ontvangst van de Premium Erasmianum, die je zeer van harte verdiend hebt. Ik beschouw het als een eer je hier te mogen toespreken.
Het is terecht en verheugend dat het ontwerpen voor de publieke zaak nu en hier zo nadrukkelijk in de belangstelling staat. Maar ik vind het tegelijk een beetje bizar dat wij hier, in wat ooit als gidsland op het gebied van de moderne grafische vormgeving gold, binnen enkele weken twee buitenlanders eren met belangrijke prijzen voor hun werk op dit gebied: De Iraanse ontwerper Reza Abedini, die in december de Prins Claus Prijs zal ontvangen en u. Voor mij wijst dit op een soort nostalgie, een verlangen naar engagement. Dit verlangen denken wij kennelijk op dit moment zelf niet te kunnen bevredigen. We zoeken daarom idolen, helden. Het toekennen van belangrijke prijzen aan idolen is mooi, het naar de eigen actualiteit vertalen van hun voorbeelden nog mooier. Ik doe een poging aan te geven hoe dat zou kunnen. In het Nederlands, als je me vergeeft, voor vertaling is gezorgd.

De basis voor dit onvervuld verlangen is een typisch Nederlandse karaktertrek, een lastige kant aan de Nederlandse identiteit. Een karaktertrek die ik ook in mijzelf egaliteitsstreven, gebrek aan moed, bevlogenheid, durf,

Inleiding
Vanaf dat ik aan de Rietveldacademie begon te studeren in 1970, ben ik betrokken geweest bij de publieke zaak en de verantwoordelijk van de grafisch ontwerper daarvoor. Al vanaf het eerste begin heb ik daar gemengde gevoelens bij. Een mengsel van enthousiasme en ergernis.

Mijn enthousiasme geldt mensen die heel sterk ergens in geloven en dat ook heel duidelijk zeggen, of roepen zelfs. Zelf twijfel ik vaak aan wat ik vind.

Maar ik heb ook veel sympathie voor hen die hun maatschappelijke betrokkenheid niet belijden maar ernaar handelen.

Op de Rietveld was een flink links bolwerk actief dat heel hard en duidelijk riep dat alles anders moest. En daar ook heel prachtige, of eigenlijk bewust bewust lelijke affiches en krantjes over maakten. Lelijk was namelijk links en mooi was rechts. Ik voelde me er niet echt thuis maar had er wel bewondering voor. Dat waren de echte revolutionairen. Het collectief Wild Plakken is daaruit voortgekomen. Daarover verscheen pas een zeer beknopt boekje, waarin de belangrijkste feiten en uitgangspunten te vinden van deze revolutionaire ontwerpstroming zijn. Het was vooral een tegenbeweging.

Ook kwam er eens een delegatie van het alternatieve Groningse reclamebureautje Wrik langs. Uitgedropte reclamemensen werkten voor ‘alternatieve’ maatschappelijke doelen, zoals belangengroeperingen, inspraak bij gemeentelijke herinrichtingsplannen en veilig-vrijen-campagnes. Ze pasten de technieken die ze in de reclame hadden geleerd toe op ‘ideële doelen’. Je kon je afvragen of je de verleidingstechnieken van de commercie kon overplanten op sociale of ideële doelen, maar het was geen tegenbeweging, meer een soort grafisch opbouwwerk. Ik ging stage lopen bij de Amsterdamse vestiging.

Volgens de radikalinski’s van de Rietveld was het revisionisme, in feite een soort verraad. Mij sprak het wel aan. Het had iets praktisch, iets gewoons. Er werd gewerkt, maar dan nuttig, in dienst van een publieke zaak. Er werd niet naar gestreefd mensen grafisch op te voeden, er werd aangesloten bij de heersende esthetiek. Toegegeven, het werk zag er vaak een beetje doorsnee uit, het miste vaak een eigen kracht.

Later ging ik voor een linkse uitgeverij werken en zocht mijn free-lance werk in de hoek van het maatschappelijk werk, de volksgezondheid en de kleinschalige culturele sector. Zo had je het idee dat je werk deed dat je leuk vond en er ook nog een doel mee diende.

In globaal dezelfde tijd leerde ik het werk van Grapus kennen, het ontwerpcollectief van Bernard en kameraden. Ik ging ze zelfs een keer opzoeken in Parijs. Wat me bij Grapus aansprak, was dat er in feite geen tegenstelling was tussen het revolutionaire en het constructieve. Er werd met veel elan en esprit (twee franse woorden) heel constructief gewerkt, voor dingen die er echt toe deden.

Maar op een of andere manier was het heel moeilijk om het voorbeeld van Grapus naar Nederland te vertalen, zo ervoer ik. In Nederland doe je maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. In Nederland was toen, in tegenstelling tot Frankrijk, al een enorme grafische cultuur aanwezig. Die cultuur –en economie in feite– was echter vooral pragmatisch ingesteld. Het was een praktijk die oplossingen bood en geen vragen stelde. In Nederland wordt niet geproblematiseerd, er wordt onderhandeld. Ik chargeer, vergeef me, maar soms moet dat.

Wild Plakken was in Nederland de enige club die enigszins met Grapus te vergelijken was. Lies Ros, mede-oprichtster, noemde idealisme een kwestie van eigenbelang. Je wilt voor jezelf dat de wereld verbetert. Goed gezien.

Mijn wrevel geldt het steeds terugkerende idee bij Nederlandse vormgevers, dat zijzelf een heel bijzondere eigen verantwoordelijkheid hebben, een verantwoordelijkheid die anderen niet hebben, een verantwoordelijkheid om te zeggen hoe het moet. Maar bij die verantwoordelijkheid heeft zelden praktische consequenties. Het is meer een middel om zich te rechtvaardigen, niet om zijn eigen positie ter discussie te stellen. Of om een verlangen te uiten, maar er niet concreet aan te hoeven werken.

Hebben grafisch vormgevers een bijzonderdere verantwoordelijkheid voor … Tja voor wat eigenlijk? Okee, voor het gemak even: voor een humanitaire samenleving? Ik denk het niet. Hun verantwoordelijkheid is even groot als die van de journalist, de onderwijzer, de boekverkoper en de drukker. Om er maar een paar te noemen.

Maar wat is er op tegen dat vormgevers (of sommigen althans) die verantwoordelijkheid zo sterk voelen? Ik denk dat het bijzonderder willen zijn ook een nadeel heeft. Het maakt dat je die moeilijker kan delen. Andere mensen vinden het vaak ook niet zo prettig als je jezelf steeds bijzonder noemt.

De oplossing zit ’m denk ik in het vinden van een overtuiging, een visie, in het vinden van iets van de wereld waarin je leeft. Wat je vindt, kun je delen, je kunt erover discussiëren. Waar ik dus voor pleit, is dat ontwerpers, maar ook schoenlappers, caissières, carroserie-herstellers, system operators en hbo-docenten iets vinden van wat er in de wereld gebeurt en daar iets aan te doen. Wat je dan doet, hangt dan natuurlijk af van wat je van de wereld vindt en hoe je die zou willen hebben. Dat is je publieke zaak. Het gevaar dat je straks iets vindt dat gevaarlijk is, lijkt me kleiner dan het gevaar dat je niks vindt.

Vertaald naar deze tijd
Onze huidige samenleving, en ook andere rijke landen van West-Europa, trekken veel mensen aan uit andere landen en regio’s. Met een echt menselijk immigratiebeleid zouden dat er nog veel meer zijn, maar ondanks alle restricties verandert de kleur onze maatschappij van kaaskopbleek naar een veel interessantere regenboog van kleuren, symbool voor de vele culturen, wereldbeelden, geloven en gebruiken die in ons land te vinden zijn.

Dat is overigens niet nieuw. In de 16e eeuw was ons land al een vrijplaats voor intellectuelen uit landen waar godsdienstvrijheid nog niet was doorgedrongen en waar verlichting nog gelijkstond aan ketterij. Waar het mis ging, weet ik niet precies, maar zeker vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw is het gedaan met onze tolerantie. Ons vreemdelingenbeleid wordt soms vergeleken met bijvoorbeeld de collaborerende politie in de Tweede Wereldoorlog, die de Duitsers trouw hielp bij het weghalen van Joden. Maar al in de jaren dertig werden politieke vluchtelingen en mensen die uit concentratiekampen ontsnapten, hier terug de grens over gezet naar Duitsland, waar ze een wisse dood wachtte.

Zo moeten wij het beeld bijstellen dat het een relatief nieuw fenomeen is dat gastarbeiders, Surinamers, Antillianen en andere immigranten hier met de nek aangekeken worden en ervan beschuldigd worden dat ze onze banen, uitkeringen en huizen wegkapen. Wat overigens wel verklaart waarom het niet zo gemakkelijk blijkt te zijn om dat racisme te bestrijden. Het zit best diep in onze samenleving.

Die kleuring van die samenleving betekent een verdere fragmentatie van de samenleving in groepen, groepjes en individuen, die allemaal hun eigen waarden en normen hebben. Ik zeg verdere fragmentatie omdat die onthechting, dat verlies aan samenhang, het individualisme, de versplintering van de grote idealen, niet nieuw is maar al in de jaren tachtig van de vorige eeuw duidelijk werd en waarschijnlijk al in de jaren zestig begon.

Die tegenstellingen zijn dus niet nieuw, maar sinds het doorgeschoten individualisme van de jaren tachtig en negentig onder vuur ligt, zijn de tegenstellingen scherper geworden, het onbegrip groter, de conflicten heftiger.

Veel oplossingen worden gezocht in het propageren en opleggen van de Nederlandse Normen en Waarden, inburgering, de Nederlandse Canon van de geschiedenis en dergelijke. Vergelijk de discussie over het geven van handen en het dragen van sluiers. Ik vond de socioloog Kees Schuyt wijs, toen hij zich afvroeg of het onderdrukken van dergelijke minder gewenste gebruiken niet erger is dan die gebruiken zelf. Verlagen we onszelf niet tot het nemen van intolerante, repressieve maatregelen, die eigenlijk niet te rechtvaardigen zijn met wat we willen bestrijden?

Het gaat in elke samenleving, en zeker in een zo complexe en veelkleurige als de onze van nu, om de bevordering van onderling begrip. En begrip komt alleen met communicatie. En daarmee heb ik, hoop ik, de brug geslagen naar de grafische vormgeving.
Grafische vormgeving maakt communicatie mogelijk.
Grafisch vormgevers dienen daarbij in de eerste plaats de belangen van de eindgebruiker, de lezer, de kijker. Zij vertalen de boodschap in begrijpelijke vorm.
Maar begrijpelijk voor wie? Voor je mede-student? Voor jezelf? Prima: draai je om, loop de kamer een keer uit, kom terug, kijk naar je werk en denk: als ik dit niet had gemaakt, begreep ik het dan?
Begrijpelijk voor je mede-student, je vriendje, je oma. Ook prima: vraag eerlijk wat iemand van je werk vindt en doe iets met die kritiek. Daar begint het: je maakt het niet voor jezelf, maar voor een ander.

Maar het zou verder kunnen gaan: begrijpt je stadgenoot in die ‘veelkleurige’ wijk aan de overkant van het spoor, in de renovatiewijk het ook? Heb je enig idee of wat jij vanuit jouw witte referentiekader maakt daar ook aankomt? Of doet jouw opleiding er al alles aan om allochtone Havo-leerlingen naar de kunstacademie te krijgen en kun je het je mede-student met Turkse grootouders vragen? Hoe wordt er elders in de samenleving gecommuniceerd? Weet je iets af van de rijke beeldtaal die meegekomen is uit Suriname, de Antillen, Zuid-Amerika, Vietnam, Turkijke, Marokko?

Het gaat er immers om aan te sluiten bij de belevingswereld van je doelgroep en niet alleen je eigen ei te leggen? Kun je misschien die ‘doelgroep’ ook een stem geven? Zodat ze terug kunnen communiceren?

Dus dit kun je als vormgever doen:
1. Realiseer je dat je werk voor anderen bedoeld is.
2. Verdiep je in de achtergrond van die ander.
3. Vraag respons van die ander.

Dat zou een begin kunnen zijn. Maar zo zijn we er nog niet, niet helemaal. Waaraan werk je, op school, in de praktijk straks. Voor wie werk je? Voor wie kies je? Wiens brood eet jij? Wiens woord spreek jij? Wie geef jij een stem? Het is te gemakkelijk om te zeggen dat alle grafische vormgevers alleen maar voor maatschappelijke, sociale, politieke of culturele doelen zouden mogen werken. Dat gaat niet. Zo zit “notre epoque” niet in elkaar.

Maar je zou het wel af en toe kunnen doen, pro deo, als gebaar. Maar wat kies je dan? Wat zijn goede doelen? Daar hoef je wat mij betreft niet al te moeilijk over te doen. Dat hangt ervan af wat je vindt, van de wereld en hoe die zou kunnen zijn. Zoek het dicht bij huis, wordt lid van een vereniging, een actiegroep, een liefdadigheidsinstelling, een club als Greenpeace of Amnesty. Je zou dan een klein deel van je tijd kunnen besteden aan het werken voor zo’n club, als vormgever of gewoon als actief lid.
Daarmee doe je maatschappelijk goed werk. Maar je doet jezelf er ook een plezier mee. Je zult er in de rest van je werk nog baat bij hebben dat jij weet wat in bepaalde kringen leeft, dat jij gevoelig bent voor bepaalde gevoeligheden van mensen met een bepaalde achtergrond, taal of cultuur. Want je werkt immers voor anderen.

Dus ook:
4. Verbind je, persoonlijk en professioneel, met anderen op maatschappelijk terrein.

Want in feite hebben we het hier over een basisvoorwaarde voor een goed grafisch vomgever: de bereidheid zichzelf af en toe weg te cijferen en zich te verplaatsen in een ander, het belang van een ander te dienen. Niet zomaar een ander, maar iemand die je kent, die je zelf hebt uitgezocht, met wie je je engageert.

 

 

Hypnerotomachia Poliphili

November 20th, 2006 CFHMK

Min of meer toevallig kwam ik afgelopen week dit allerwonderlijkste boek met deze onuitsprekelijke titel tegen. Ik was in Museum Meermanno voor onderzoek naar Gerrit Noordzij, over wie ik een tekst ga schrijven voor publicatie in de serie ‘Roots’ van Greve Offset en Zoo Producties. In de bibliotheek kon ik niet terecht helaas, want die werd die ochtend ingericht voor een voordracht van Abdelkader Benali over ‘de Hypnerotomachia’. In plaats daarvan sprak ik met Aafke Boerma van Meermanno, die Noordzij ook onlangs had bezocht voor een stuk in Leeslint, de nieuwsbrief voor Vrienden van Meermanno (hierover in de toekomst meer) en mocht ik bij de lezing van Benali zijn.
Een wonderlijke voordracht over een wonderlijk boek. Benali en Leo Voogt, directeur van het museum, wekten mijn belangstelling, ik toog naar de tentoonstelling, kocht de vertaling van Atheneum, Polak en Van Gennep en vergat dat ik ook nog naar het Museum voor Communicatie had willen gaan voor een feestelijke bijeenkomst ter gelegenheid van de overdracht van het archief van Wild Plakken aan het NAGO, het Nederlands Archief Grafisch Ontwerpen. De publikatie die daar werd gepresenteerd, kreeg ik een dag later van een vriend die er wel was. Ook hierover later meer.

Maar terug naar ‘de Hynerotomachia’ (persoonlijk had ik nooit gedacht dat ik nog eens liever in de Renaissance dan in de ‘roerige jaren zestig’ zou zijn). Letterlijk betekent de titel van het boek: De gedroomde (hypnos=slaap) liefdes (eros) strijd (machè) van de geliefde (philos) van Polia. Het inmiddels wereldberoemde boek verscheen in 1499 in Venetië en werd al snel enorm populair. Van de eerste druk zijn nog 250 exemplaren over, wat erg veel is. In de eeuwen erna werd het in meerdere landen en in meerdere talen opnieuw uitgegeven en groeide uit tot een cultboek. De schrijver is vrijwel onbekend, de taal waarin het geschreven is een mengelmoes van Italiaanse dialecten, Latijn en Grieks. Het verhaal is een mengeling van fantastische fictie en verhandelingen over architectuur

Het boek, dat door de beroemde Duitse drukker Aldus Manutius in Venetië werd gedrukt en uitgegeven, bevat 173 houtgravures, waarvan veel met architectonische onderwerpen. Typografisch en illustratief behoort het boek tot de absolute top van de boekproductie. En dat nog geen 50 jaar na de uitvinding van het drukken met losse loden letters.

Het boek ligt nu in katernen uit elkaar voor restauratie en is daarom tentoongesteld in Den Haag. Als extra trekpleister is ook het exemplaar dat in het bezit was van Willem van Oranje daar te zien.
In de winkel van het museum is een speciale editie van Leeslint te koop: 32 pagina’s vol goede informatie en achtergronden over de tentoonstelling, het boek en de Renaissance. Het cahier bevat ook enkele reproducties, maar die zijn in deze eenvoudige druk vanzelfsprekend zeer beperkt. Jammer is dat er verder geen goede facsimile’s van het boek bestaan. Ook op het web is weinig te vinden. Meermanno heeft, samen met de KB, een website met afbeeldingen van hoge kwaliteit van Middeleeuwse manuscripten. De Hypnerotomachia komt daar echter (nog?) niet in voor. Ook op de site van het MIT http://mitpress.mit.edu/e-books/HP/index.htm, die aan het boek gewijd is, zijn de afbeeldingen te klein.
Dit fascinerende hoogtepunt van boektypografie en -illustratie verdient meer aandacht dan het nu krijgt. Gaat allen dus nog vóór 7 januari as. naar Meermanno!

 

 

Broodje Morf

November 16th, 2006 CFHMK

Morf is een tijdschrift dat tweemaal per jaar verschijnt. Het wordt uitgegeven door Stichting Premsela en gratis ter beschikking gesteld aan ontwerpopleidingen en -afdelingen om het lezen door hun studenten te bevorderen. Morf, dat het uiterlijk heeft van een goedkope pocket, brengt met elk nummer een interessante en diverse verzameling artikelen. In de woorden van hoofdredacteur Marjan Unger: een boeket waarin oude en nieuwe, zware en minder zware artikelen over alle soorten vormgeving bij elkaar staan. En zelfs, ondanks dat de redactie had besloten dat niet te doen, in het laatste nummer een interview.
Maar kennelijk is het simpelweg tweemaal ’s jaars uitgeven van een artikelenbundel niet genoeg om het doel te bereiken. En omdat ik ook denk dat dat niet genoeg is, ging ik op de uitnodiging in van redactie en uitgever om, na twee jaar Morf, een broodje en een glas karnemelk, met theorie-docenten van opleidingen van gedachten te wisselen over ‘hun vak’ (de uitnodiging) en ‘de rol die Morf en de Morf Essayprijsvraag [zouden kunnen] vervullen in het theorieonderwijs aan vormgevingsopleidingen’ (idem). Dat was vrijdag 10 november jongstleden in het nieuwe Pakhuis de Zwijger. Hieronder geef ik weer wat ik op de bijeenkomst heb opgevangen en wat mijn, hopelijk opbouwende, kritiek op Morf is.

Eerst even over die prijsvraag dan. Die leverde een dramatisch beeld op. Niet meer dan elf essays werden ingezonden en geen eerste prijs werd uitgereikt omdat het niveau daarvoor te laag was. Wel drie derde prijzen (à € 500) en een tweede prijs (à € 1000), allen met oorkonde in enveloppe, ontworpen door de huisontwerper van Morf, de virtuoze vormgever Chris Vermaas.
Het vervolg van de middag werd ingeleid door de uit België overgekomen filosoof Dirk Pauwels, lector aan het departement interieur & design van de Katholieke Hogeschool te Mechelen, de grootste interieurdesignopleiding in Europa.
Pauwels’ verhaal was al niet veel vrolijker dan dat van De Roode. Zijn afdeling telt 20% Nederlandse studenten, die volgens Pauwels nog slechter scoren op lezen, schrijven en abstract te denken dan de Vlamingen, die er ook niet veel van schijnen te bakken.
Kortom, genoeg aanleiding voor bezorgdheid over de kwaliteit van het designonderwijs. Alex de Vries, voorheen werkzaam bij andere kunstacademies, zoals in Den Bosch en Arnhem en sinds twee maanden aangesteld bij de Willem de Kooning in Rotterdam, bevestigde mijn bewering dat het ontwerponderwijs hopeloos gevangen zit in het academisch kunstonderwijs, waar, zo vond ook Chris Vermaas, de stemming en sfeer die van de autonome kunstbeoefening zijn en niet die van de beroepsbeoefening in een economisch en cultureel krachtenveld. De Vries ging zelfs zover te beweren dat, mede door de invoering van de BaMa-structuur en de upgrading van HBO-opleidingen met lectoraten, het kunstonderwijs over tien jaar niet meer in de huidige vorm zal bestaan.
Mij klonk het als muziek in de oren, anderen gruwden bij het idee dat er dan geen eigen plaats meer zou zijn voor mensen met die speciale artistieke, culturele talenten en mentaliteit, die nu naar de kunstacademies gaan.
En ja, multisectorale mologs van hogescholen en bureaucratische universiteiten zijn gruwelijke insitituten, maar waar het hier om gaat is dat studie en opleiding van kunsten en vormgeving niet geïsoleerd horen te zijn van de studies naar media, literatuur, antropologie, chemie, materiaalkunde en wat er nog meer aan ‘hulpvakken’ voor die artisticiteit en creativiteit voorhanden is.
Theorie, zo werd ook gevonden, zou op dezelfde manier binnen de opleiding geen geïsoleerd gegeven moeten zijn, maar verbonden moeten worden aan de praktijk van de opdracht en de eigen ontwikkeling. Een chronologische kunstgeschiedenis is niet aan de orde, wel een filososfische bagage die zelfreflectie mogelijk maakt.
Eerlijk gezegd, en enigszins terzijde, heb ik hier ook enige twijfels bij. Reaearchvaardigheid en verbale verantwoording zijn nuttige handgrepen voor een vormgever –en voor een kunstenaar, trouwens. Maar geschiedenis, theorie en filosofie zijn geen snoeptrommels waaruit de consument zijn eigen favoriete snoepjes kan halen, ter rechtvaardiging van zijn eigen persoonlijke keuzen. Een dergelijke ondersteuning van de conceptueel-filosofische bagage – lees ‘artistiekerige’ (Pauwels) neiging van de Nederlandse vormgevingsstudent kan best wat minder. De koppeling van het praktische en artistieke aan het theoretische en wetenschappelijkedient niet alleen de ‘effectiviteit’ van de maker, het dient als kennis op zich, als achtergrond waartegen het eigen handelen is te plaatsen.
Terug naar de zaak van Morf. De vormgeving –en daarmee het vormgeefonderwijs– in Nederland blinkt inderdaad niet uit in intellectuele rijkdom of kritische diepgang. Anke Coumans van de HKU gaf het aan toen ze zei: ‘Als ik teksten over grafische vormgeving zoek, kijk ik naar Amerika’. En dat terwijl Nederland als een internationaal gidsland op dat gebied gold.
Het is goed en lofwaardig is dat er met zoveel liefde, geld, inzet en inspanning een bijdrage wordt geleverd aan de kwaliteit van de vormgeving. Wat is dan eigenlijk het probleem?
Het probleem is waarschijnlijk, zo viel uit de bijeenkomst althans op te maken, dat de opbrengst tegenvalt. Of in ieder geval niet duidelijk is. Getuige bijvoorbeeld de essaywedstrijd zijn effect en respons op de geleverde inspanning gering. En dan is het logisch en terecht dat er gevraagd wordt hoe dat komt.
Om te beginnen moet dan worden vastgesteld wat die opbrengst zou moeten zijn; wat is precies het doel van Morf? Heeft Morf daar een scherpe omlijning van? Of zelfs een vage voorstelling? Iets in de trant van: wij zijn geslaagd in onze missie als na twee jaar de essayprijsvraag een respons oplevert van zoveel inzendingen. Of: Morf is een succes als zoveel theoriedocenten bij ondervraging aangeven dat ze Morf een goed wapen vinden op hun kruistocht voor meer theoretisch belangstelling binnen de opleiding. Of misschien iets als: bij het ondervragen van zoveel studenten, weet zich zoveel procent spontaan een aantal stukken uit Morf te noemen. De doelstelling die ik heb opgemaakt uit de bijeenkomst kwam neer op het vergroten van de belangstelling voor theorie en geschiedenis van vormgeving bij studenten of het bevorderen van het lezen onder studenten vormgeving. Maar zonder concretere en meer toetsbare doelen valt er weinig over de effectiviteit van de inspanning te zeggen.
Uit mijn eigen ervaringen met combinaties van journalistiek, onderwijs en vormgeving en uit privé-onderzoekjes met Morf, volgt een aantal kritische observaties van het fenomeen Morf, die ik die bewuste middag in Pakhuis de Zwijger heb geprobeerd te formuleren. Dat werd me niet door iedereen in dank afgenomen. Misschien formuleerde ik mijn kritiek niet goed, misschien zijn we het gewoon oneens. Ook niet erg.
Belangrijk verschil in uitgangspunt lijkt te zijn dat de redactie vindt dat ze een goede inspanning levert, die door het veld niet op waarde wordt geschat. Morf is, in de woorden van Sybrand Zijlstra, een ‘cadeautje’ aan het onderwijs. Hij verwacht op zijn beurt dat er dankbaar gebruik van wordt gemaakt.
Hier ga ik een kort zijpad in, en wel naar het Kerstnummer Grafisch Nederland. In het komende nummer, dat een dezer dagen verschijnt, heb ik geschreven over het cadeau-karakter van deze uitgave. Grafisch Nederland is namelijk een relatiegeschenk van de gezamenlijke grafische industrie. Maar het is, evenals Morf, een cadeau waar de ontvangers niet om gevraagd hebben. En hoewel ze dankbaar zullen zijn voor het gebaar, is het lang niet zeker dat ze er ook iets mee zullen doen. Hier zou Morf ook aan kunnen lijden. Het zou zelfs als een plicht gevoeld kunnen worden. Iets dat je niet echt met cadeaus associeert.
De manier waarop de uitgave wordt ‘ingezet’ is dus van belang voor de ontvangst ervan. Het is dan ook een goed idee van de makers om aan de ontvangers te vragen hoe ze zouden willen dat Morf wordt ingezet.

Morf is een tijdschrift, maar geen gewoon tijdschrift. Een doorsnee tijdschrift verschijnt maandelijks of wekelijks, in een heel enkel geval minder vaak. Morf verschijn tweemaal per jaar. De meeste tijdschriften hebben een formaat van rond de 22 bij 28 centimeter, bevatten tussen de 48 en 120 glanzende pagina’s en worden, althans gedeeltelijk, geïllustreerd en in kleur gedrukt. Morf bevat rond de tweehonderd grauwe pagina’s van 10,5 bij 18 centimeter, dicht bedrukt met uitlsuitend zwarte inkt.
En hoewel die keuzes zeer bewust gemaakt zijn en het resultaat ontegenzeggelijk een sterk karakter heeft, waag ik te beweren dat Morf GEEN tijdschrift is en zo ook niet wordt beleefd. Of dat een bezwaar is, hangt weer mede af van hoe het wordt ‘ingezet’. Het feit dat het –althans zo viel op de bijeenkomst op te maken– niet actief wordt toegepast door theoriedocenten en Morf dus een ‘vrijblijvend’ karakter heeft, maakt volgens mij het feit dat Morf bewust NIET aan een verwachtingspatroon voldoet, een probleem. Conventies kunnen slechts tegen een zekere prijs worden genegeerd.

Komen we bij de vormgeving van Morf. Hoe interessant en relevant de gepubliceerde teksten ook zijn, de vorm waarin ze gepresenteerd worden, is er mijns inziens voor een flink deel debet aan dat Morf minder effect heeft dan gewenst. Morf overtreedt (bewust) vrijwel alle regels op het gebied van de vormgeving (en uitgave overigens) van tijdschriften.
Tijdschriften, zo zijn we gewend, doen hun best, hun lezers te verleiden om de geplaatste stukken (althans te beginnen) te lezen. Dat gebeurt op allerlei manieren: op de cover, in de inhoudsopgave, in de verschillende manieren waarop stukken zijn vormgegeven, met kaders, inleidingen, illustraties en bijschrijften. Die dingen zijn er niet alleen voor de afleiding, ze geven de lezer aanleiding en gelegenheid de inhoud op verschillende niveaus en in verschillende ‘modi’ tot zich te nemen. Niet iedereen is steeds op dezelfde manier bereid en in staat informatie op te nemen. Het zogenaamde ‘lezen’ dat Morf propageert is in werkelijkheid een wisselende activiteit van informatieverwerking.
Geen van de genoemde middelen worden door Morf toegepast. De stukken zijn vindbaar en leesbaar, maar meer ook niet. De vormgeving doet geen uitspraak over wat echt belangrijk is en wat minder, wat makkelijk leesbaar is en wat moeilijker of wat waar over gaat. De inhoudsopgave is een droogzakelijke opsomming, de vormgeving van de stukken sluit op geen enkele manier aan bij inhoud, aard, sfeer of niveau van het stuk, de typografie en de druk zijn eerder houterig en dwars dan gemakkelijk en toegankelijk. De marges zijn bijvoorbeeld zo smal dat soms zelfs delen van laatste letters per regel afgesneden worden. De steeds identieke diapositive kaders boven elk artikel remmen het ‘binnenstappen’ in het stuk eerder dan dat ze het helpen. De zwarte blokjes met auteur, jaartal etcetera dringen zich met ongepaste nadruk op; de inleiding, een tekstsoort van een heel andere orde dan een paginaverwijzing naar een engelse samenvatting, wordt hiermee op één hoop geveegd. En dus overgeslagen.
En, één van de opvallendste kenmerken: Morf bevat vrijwel geen plaatjes en zeker geen in kleur. De illustraties staan op internet, dat wel. Maar die ene keer dat ik bij de verschijning van een nieuw nummer ging kijken, nog niet. Een regelrechte afknapper.
Al deze kritiek kan worden afgedaan als geconditioneerdheid. Maar die conditionering kan ik bij mezelf, laat staan bij mijn leerlingen, niet zomaar ongedaan maken. Maar als conventies hun prijs hebben, dan zijn die conditioneringen, voor een prijs, ook te doorbreken. Maar daar moet je dan wel wat voor doen. Het simpelweg ontkennen ervan werkt niet.
Tijdens de bijeenkomst werd me het vuur aan de schenen gelegd om met oplossingen te komen. Dat had ik moeten weten. Die oplossingen bestaan; ze worden in wisselende samenstellingen en, toegegeven, met wisselend succes, door tijdschriftuitgevers toegepast. Panacees zijn er minder, of het moet iets met sex zijn.
Een van de oplossingen ligt in het betrekken van de afnemers, lezers of gebruikers van je medium bij de inrichting ervan en het bieden van andere mogelijkheden om bij het blad betrokken te zijn dan alleen het pure lezen. De essayprijsvraag is daarvan een goed voorbeeld. Maar je kunt meer doen, zoals het beleggen van panels, het vragen van reacties, het aanbieden van kortingen, het winnen van prijzen.
Een van de dingen die Morf misschien een duidelijkere aanwezigheid zou geven in het veld, is een hogere frequentie. Vier keer in elk schooljaar en daardoor ook synchroon met het ritme van het HBO, zou mijns inziens beter zijn.
Nu Morf nummer vijf net is verschenen en ik met een paar klassen in de weer ben met redactionele vormgeving en bladen maken, zal ik de gelegenheid nemen mijn informele onderzoekjes naar de ontvangst van Morf door studenten uit te breiden. Kijk over een paar weken weer ens hier en wie weet ben ik dan helemaal teruggekomen van wat ik hierboven schreef.
Eén kanttekening vooraf bij de uitkomsten van zo’n onderzoekje: studenten redactionele vormgeving aan de School voor Journalistiek lezen al.