Wat kunnen we van Pierre Bernard leren?
De kleuring van onze samenleving plaatst de grafisch vormgever voor een nieuwe verantwoordelijkheid (die eigenlijk al heel oud is).
Synopsis van voordracht in studentensymposium met Pierre Bernard, 27 nov 2006
Carel Kuitenbrouwer
Que pouvons nous apprendre de Pierre Bernard ?
La coloration de notre société confère au graphiste une nouvelle responsabilité (en fait fort ancienne).
Synopsis de la conférence au cours du symposium avec Pierre Bernard, le 27 novembre 2006.
Carel Kuitenbrouwer
Introduction :
Cher Pierre
Avant de me pencher sur le problème du graphisme engagé dans « notre époque » – une époque qui peut-être n’est pas exactement « notre époque » comme tu me le confiais il y a peu, mais qui est peut-être quand même « votre époque », à en juger par l’ampleur de l’attention que l’on porte ici et maintenant à ton travail – c’est à toi tout spécialement que je veux adresser ces quelques mots.
Je te félicite donc de tout cœur pour ce prix Erasmianum que tu mérites absolument, et je suis honoré de pouvoir m’adresser à toi à cette occasion.
Il est aussi légitime que réjouissant que le graphisme destiné au domaine publique reçoive ici aujourd’hui un intérêt aussi affirmé. Mais je trouve aussi cela un peu bizarre que nous, Néerlandais, dans ce pays un jour considéré comme précurseur en matière de graphisme moderne, décernions en l’espace de quelques semaines deux prix importants à deux étrangers pour leur travail dans ce domaine : le designer Iranien Reza Abedini qui recevra en décembre le Prix du Prince Claus, et toi.
Selon moi, cela relève d’une sorte de nostalgie, d’un désir d’engagement. Ça veux dire plus de désir que d’engagement même.
Il semble qu’à l’heure actuelle, nous pensions ne pas pouvoir satisfaire nous même ce désir. C’est pourquoi nous cherchons des idoles, des héros.
S’il est fort louable de décerner des prix importants à des idoles, il est encore plus louable de mettre leur exemple en pratique.
Je vais tenter d’indiquer quelques possibilités comment cela serait possible.
En néerlandais, pardonne-moi, puisqu’une traduction est assurée.
Vooraf
Beste Pierre,
ik richt enkele woorden speciaal aan jou, voordat ik mij buig over het probleem van het geëngageerd ontwerpen in ‘notre epoque’ – une epoque qui peut etre n’est pas exactement ‘notre epoque’ zoals je me niet lang geleden eens toevertrouwde, maar die misschien toch ‘votre epoque’ is, oordelend naar de hoeveelheid aandacht die er op dit moment hier voor uw werk is.
Ik feliciteer je dan ook van harte met de ontvangst van de Premium Erasmianum, die je zeer van harte verdiend hebt. Ik beschouw het als een eer je hier te mogen toespreken.
Het is terecht en verheugend dat het ontwerpen voor de publieke zaak nu en hier zo nadrukkelijk in de belangstelling staat. Maar ik vind het tegelijk een beetje bizar dat wij hier, in wat ooit als gidsland op het gebied van de moderne grafische vormgeving gold, binnen enkele weken twee buitenlanders eren met belangrijke prijzen voor hun werk op dit gebied: De Iraanse ontwerper Reza Abedini, die in december de Prins Claus Prijs zal ontvangen en u. Voor mij wijst dit op een soort nostalgie, een verlangen naar engagement. Dit verlangen denken wij kennelijk op dit moment zelf niet te kunnen bevredigen. We zoeken daarom idolen, helden. Het toekennen van belangrijke prijzen aan idolen is mooi, het naar de eigen actualiteit vertalen van hun voorbeelden nog mooier. Ik doe een poging aan te geven hoe dat zou kunnen. In het Nederlands, als je me vergeeft, voor vertaling is gezorgd.
De basis voor dit onvervuld verlangen is een typisch Nederlandse karaktertrek, een lastige kant aan de Nederlandse identiteit. Een karaktertrek die ik ook in mijzelf egaliteitsstreven, gebrek aan moed, bevlogenheid, durf,
Inleiding
Vanaf dat ik aan de Rietveldacademie begon te studeren in 1970, ben ik betrokken geweest bij de publieke zaak en de verantwoordelijk van de grafisch ontwerper daarvoor. Al vanaf het eerste begin heb ik daar gemengde gevoelens bij. Een mengsel van enthousiasme en ergernis.
Mijn enthousiasme geldt mensen die heel sterk ergens in geloven en dat ook heel duidelijk zeggen, of roepen zelfs. Zelf twijfel ik vaak aan wat ik vind.
Maar ik heb ook veel sympathie voor hen die hun maatschappelijke betrokkenheid niet belijden maar ernaar handelen.
Op de Rietveld was een flink links bolwerk actief dat heel hard en duidelijk riep dat alles anders moest. En daar ook heel prachtige, of eigenlijk bewust bewust lelijke affiches en krantjes over maakten. Lelijk was namelijk links en mooi was rechts. Ik voelde me er niet echt thuis maar had er wel bewondering voor. Dat waren de echte revolutionairen. Het collectief Wild Plakken is daaruit voortgekomen. Daarover verscheen pas een zeer beknopt boekje, waarin de belangrijkste feiten en uitgangspunten te vinden van deze revolutionaire ontwerpstroming zijn. Het was vooral een tegenbeweging.
Ook kwam er eens een delegatie van het alternatieve Groningse reclamebureautje Wrik langs. Uitgedropte reclamemensen werkten voor ‘alternatieve’ maatschappelijke doelen, zoals belangengroeperingen, inspraak bij gemeentelijke herinrichtingsplannen en veilig-vrijen-campagnes. Ze pasten de technieken die ze in de reclame hadden geleerd toe op ‘ideële doelen’. Je kon je afvragen of je de verleidingstechnieken van de commercie kon overplanten op sociale of ideële doelen, maar het was geen tegenbeweging, meer een soort grafisch opbouwwerk. Ik ging stage lopen bij de Amsterdamse vestiging.
Volgens de radikalinski’s van de Rietveld was het revisionisme, in feite een soort verraad. Mij sprak het wel aan. Het had iets praktisch, iets gewoons. Er werd gewerkt, maar dan nuttig, in dienst van een publieke zaak. Er werd niet naar gestreefd mensen grafisch op te voeden, er werd aangesloten bij de heersende esthetiek. Toegegeven, het werk zag er vaak een beetje doorsnee uit, het miste vaak een eigen kracht.
Later ging ik voor een linkse uitgeverij werken en zocht mijn free-lance werk in de hoek van het maatschappelijk werk, de volksgezondheid en de kleinschalige culturele sector. Zo had je het idee dat je werk deed dat je leuk vond en er ook nog een doel mee diende.
In globaal dezelfde tijd leerde ik het werk van Grapus kennen, het ontwerpcollectief van Bernard en kameraden. Ik ging ze zelfs een keer opzoeken in Parijs. Wat me bij Grapus aansprak, was dat er in feite geen tegenstelling was tussen het revolutionaire en het constructieve. Er werd met veel elan en esprit (twee franse woorden) heel constructief gewerkt, voor dingen die er echt toe deden.
Maar op een of andere manier was het heel moeilijk om het voorbeeld van Grapus naar Nederland te vertalen, zo ervoer ik. In Nederland doe je maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. In Nederland was toen, in tegenstelling tot Frankrijk, al een enorme grafische cultuur aanwezig. Die cultuur –en economie in feite– was echter vooral pragmatisch ingesteld. Het was een praktijk die oplossingen bood en geen vragen stelde. In Nederland wordt niet geproblematiseerd, er wordt onderhandeld. Ik chargeer, vergeef me, maar soms moet dat.
Wild Plakken was in Nederland de enige club die enigszins met Grapus te vergelijken was. Lies Ros, mede-oprichtster, noemde idealisme een kwestie van eigenbelang. Je wilt voor jezelf dat de wereld verbetert. Goed gezien.
Mijn wrevel geldt het steeds terugkerende idee bij Nederlandse vormgevers, dat zijzelf een heel bijzondere eigen verantwoordelijkheid hebben, een verantwoordelijkheid die anderen niet hebben, een verantwoordelijkheid om te zeggen hoe het moet. Maar bij die verantwoordelijkheid heeft zelden praktische consequenties. Het is meer een middel om zich te rechtvaardigen, niet om zijn eigen positie ter discussie te stellen. Of om een verlangen te uiten, maar er niet concreet aan te hoeven werken.
Hebben grafisch vormgevers een bijzonderdere verantwoordelijkheid voor … Tja voor wat eigenlijk? Okee, voor het gemak even: voor een humanitaire samenleving? Ik denk het niet. Hun verantwoordelijkheid is even groot als die van de journalist, de onderwijzer, de boekverkoper en de drukker. Om er maar een paar te noemen.
Maar wat is er op tegen dat vormgevers (of sommigen althans) die verantwoordelijkheid zo sterk voelen? Ik denk dat het bijzonderder willen zijn ook een nadeel heeft. Het maakt dat je die moeilijker kan delen. Andere mensen vinden het vaak ook niet zo prettig als je jezelf steeds bijzonder noemt.
De oplossing zit ’m denk ik in het vinden van een overtuiging, een visie, in het vinden van iets van de wereld waarin je leeft. Wat je vindt, kun je delen, je kunt erover discussiëren. Waar ik dus voor pleit, is dat ontwerpers, maar ook schoenlappers, caissières, carroserie-herstellers, system operators en hbo-docenten iets vinden van wat er in de wereld gebeurt en daar iets aan te doen. Wat je dan doet, hangt dan natuurlijk af van wat je van de wereld vindt en hoe je die zou willen hebben. Dat is je publieke zaak. Het gevaar dat je straks iets vindt dat gevaarlijk is, lijkt me kleiner dan het gevaar dat je niks vindt.
Vertaald naar deze tijd
Onze huidige samenleving, en ook andere rijke landen van West-Europa, trekken veel mensen aan uit andere landen en regio’s. Met een echt menselijk immigratiebeleid zouden dat er nog veel meer zijn, maar ondanks alle restricties verandert de kleur onze maatschappij van kaaskopbleek naar een veel interessantere regenboog van kleuren, symbool voor de vele culturen, wereldbeelden, geloven en gebruiken die in ons land te vinden zijn.
Dat is overigens niet nieuw. In de 16e eeuw was ons land al een vrijplaats voor intellectuelen uit landen waar godsdienstvrijheid nog niet was doorgedrongen en waar verlichting nog gelijkstond aan ketterij. Waar het mis ging, weet ik niet precies, maar zeker vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw is het gedaan met onze tolerantie. Ons vreemdelingenbeleid wordt soms vergeleken met bijvoorbeeld de collaborerende politie in de Tweede Wereldoorlog, die de Duitsers trouw hielp bij het weghalen van Joden. Maar al in de jaren dertig werden politieke vluchtelingen en mensen die uit concentratiekampen ontsnapten, hier terug de grens over gezet naar Duitsland, waar ze een wisse dood wachtte.
Zo moeten wij het beeld bijstellen dat het een relatief nieuw fenomeen is dat gastarbeiders, Surinamers, Antillianen en andere immigranten hier met de nek aangekeken worden en ervan beschuldigd worden dat ze onze banen, uitkeringen en huizen wegkapen. Wat overigens wel verklaart waarom het niet zo gemakkelijk blijkt te zijn om dat racisme te bestrijden. Het zit best diep in onze samenleving.
Die kleuring van die samenleving betekent een verdere fragmentatie van de samenleving in groepen, groepjes en individuen, die allemaal hun eigen waarden en normen hebben. Ik zeg verdere fragmentatie omdat die onthechting, dat verlies aan samenhang, het individualisme, de versplintering van de grote idealen, niet nieuw is maar al in de jaren tachtig van de vorige eeuw duidelijk werd en waarschijnlijk al in de jaren zestig begon.
Die tegenstellingen zijn dus niet nieuw, maar sinds het doorgeschoten individualisme van de jaren tachtig en negentig onder vuur ligt, zijn de tegenstellingen scherper geworden, het onbegrip groter, de conflicten heftiger.
Veel oplossingen worden gezocht in het propageren en opleggen van de Nederlandse Normen en Waarden, inburgering, de Nederlandse Canon van de geschiedenis en dergelijke. Vergelijk de discussie over het geven van handen en het dragen van sluiers. Ik vond de socioloog Kees Schuyt wijs, toen hij zich afvroeg of het onderdrukken van dergelijke minder gewenste gebruiken niet erger is dan die gebruiken zelf. Verlagen we onszelf niet tot het nemen van intolerante, repressieve maatregelen, die eigenlijk niet te rechtvaardigen zijn met wat we willen bestrijden?
Het gaat in elke samenleving, en zeker in een zo complexe en veelkleurige als de onze van nu, om de bevordering van onderling begrip. En begrip komt alleen met communicatie. En daarmee heb ik, hoop ik, de brug geslagen naar de grafische vormgeving.
Grafische vormgeving maakt communicatie mogelijk.
Grafisch vormgevers dienen daarbij in de eerste plaats de belangen van de eindgebruiker, de lezer, de kijker. Zij vertalen de boodschap in begrijpelijke vorm.
Maar begrijpelijk voor wie? Voor je mede-student? Voor jezelf? Prima: draai je om, loop de kamer een keer uit, kom terug, kijk naar je werk en denk: als ik dit niet had gemaakt, begreep ik het dan?
Begrijpelijk voor je mede-student, je vriendje, je oma. Ook prima: vraag eerlijk wat iemand van je werk vindt en doe iets met die kritiek. Daar begint het: je maakt het niet voor jezelf, maar voor een ander.
Maar het zou verder kunnen gaan: begrijpt je stadgenoot in die ‘veelkleurige’ wijk aan de overkant van het spoor, in de renovatiewijk het ook? Heb je enig idee of wat jij vanuit jouw witte referentiekader maakt daar ook aankomt? Of doet jouw opleiding er al alles aan om allochtone Havo-leerlingen naar de kunstacademie te krijgen en kun je het je mede-student met Turkse grootouders vragen? Hoe wordt er elders in de samenleving gecommuniceerd? Weet je iets af van de rijke beeldtaal die meegekomen is uit Suriname, de Antillen, Zuid-Amerika, Vietnam, Turkijke, Marokko?
Het gaat er immers om aan te sluiten bij de belevingswereld van je doelgroep en niet alleen je eigen ei te leggen? Kun je misschien die ‘doelgroep’ ook een stem geven? Zodat ze terug kunnen communiceren?
Dus dit kun je als vormgever doen:
1. Realiseer je dat je werk voor anderen bedoeld is.
2. Verdiep je in de achtergrond van die ander.
3. Vraag respons van die ander.
Dat zou een begin kunnen zijn. Maar zo zijn we er nog niet, niet helemaal. Waaraan werk je, op school, in de praktijk straks. Voor wie werk je? Voor wie kies je? Wiens brood eet jij? Wiens woord spreek jij? Wie geef jij een stem? Het is te gemakkelijk om te zeggen dat alle grafische vormgevers alleen maar voor maatschappelijke, sociale, politieke of culturele doelen zouden mogen werken. Dat gaat niet. Zo zit “notre epoque” niet in elkaar.
Maar je zou het wel af en toe kunnen doen, pro deo, als gebaar. Maar wat kies je dan? Wat zijn goede doelen? Daar hoef je wat mij betreft niet al te moeilijk over te doen. Dat hangt ervan af wat je vindt, van de wereld en hoe die zou kunnen zijn. Zoek het dicht bij huis, wordt lid van een vereniging, een actiegroep, een liefdadigheidsinstelling, een club als Greenpeace of Amnesty. Je zou dan een klein deel van je tijd kunnen besteden aan het werken voor zo’n club, als vormgever of gewoon als actief lid.
Daarmee doe je maatschappelijk goed werk. Maar je doet jezelf er ook een plezier mee. Je zult er in de rest van je werk nog baat bij hebben dat jij weet wat in bepaalde kringen leeft, dat jij gevoelig bent voor bepaalde gevoeligheden van mensen met een bepaalde achtergrond, taal of cultuur. Want je werkt immers voor anderen.
Dus ook:
4. Verbind je, persoonlijk en professioneel, met anderen op maatschappelijk terrein.
Want in feite hebben we het hier over een basisvoorwaarde voor een goed grafisch vomgever: de bereidheid zichzelf af en toe weg te cijferen en zich te verplaatsen in een ander, het belang van een ander te dienen. Niet zomaar een ander, maar iemand die je kent, die je zelf hebt uitgezocht, met wie je je engageert.